Depo-medrol Lidoc 40mg Vial 40mg/ml 1 X 1ml
Op voorschrift
Geneesmiddel

Depo-medrol Lidoc 40mg Vial 40mg/ml 1 X 1ml

  € 10,85

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 2,00 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 1,05 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt

  € 10,85
Op bestelling

Dit product bevat benzylalcohol dat mogelijk toxisch is wanneer het lokaal wordt toegediend op neuraal weefsel (zie 'Pediatrische patiënten' hieronder).

Hoewel kristallen van adrenale steroïden in de huid inflammatoire reacties onderdrukken, kan hun aanwezigheid desintegratie van cellulaire elementen en fysisch-chemische veranderingen in de basissubstantie van het bindweefsel veroorzaken. De zelden daaruit voortkomende dermale en/of subdermale veranderingen kunnen op de plaats van de injectie inzinkingen in de huid veroorzaken. De ernst van deze reactie hangt af van de hoeveelheid ingespoten adrenale steroïden. De regeneratie is meestal volledig na enkele maanden of nadat alle kristallen van het adrenale steroïd geabsorbeerd zijn.

Om dermale of subdermale atrofie zoveel mogelijk te beperken, moet erop gelet worden de aanbevolen dosissen niet te overschrijden. Indien mogelijk moeten meerdere kleine injecties op de plaats van het letsel uitgevoerd worden. De intra-articulaire en intramusculaire injectietechniek dient ook voorzorgen te omvatten tegen injectie of doorsijpelen in de dermis. Methylprednisolonacetaat met lidocaïne mag niet worden toegediend via andere toedieningswegen dan die welke worden vermeld in rubriek 4.1. Het is van essentieel belang dat tijdens de toediening van methylprednisolonacetaat met lidocaïne de gepaste techniek wordt toegepast en dat alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen worden getroffen om een correcte diffusie van het geneesmiddel te garanderen.

Er werden ernstige bijwerkingen gemeld in combinatie met de volgende gecontra-indiceerde toedieningswegen: intrathecaal/epiduraal (zie rubriek 4.8). De nodige voorzorgsmaatregelen dienen genomen te worden om intravasculaire injectie te vermijden.

Het gebruik van één flacon DEPO‑MEDROL + Lidocaïne om meerdere dosissen toe te dienen vereist bijzondere voorzorgen om besmetting te voorkomen (zie rubriek 6.6). Er bestaan bepaalde aanwijzingen dat benzalkoniumchloride geen adequaat antisepticum is voor het steriliseren van multidose injectieflacons. Een polyvidon‑joodoplossing of een gelijkaardig product wordt aanbevolen voor het reinigen van de dop van de injectieflacon alvorens de inhoud op te zuigen (zie rubriek 6.6).

Intra-articulair gebruik Bij intra-articulaire en/of andere lokale toedieningen is een strikt steriele techniek noodzakelijk om iatrogene infecties te vermijden. Na intra‑articulaire toediening van corticosteroïden dient overdadig gebruik van de gewrichten, waarbij symptomatisch voordeel werd verkregen, te worden vermeden. Verwaarlozen van deze voorzorg kan de gunstige invloed van de steroïden niet enkel te niet doen, maar zelfs de beschadiging van het gewricht verergeren. Injecties in onstabiele gewrichten zijn niet aangewezen. Herhaalde intra‑articulaire injecties kunnen in sommige gevallen instabiliteit van de gewrichten tot gevolg hebben. Eventuele verslechtering kan radiografisch worden vastgesteld. De bijsluiter van het anestheticum dient zorgvuldig te worden gelezen en alle nodige voorzorgen dienen genomen te worden wanneer vóór injectie van DEPO‑MEDROL + Lidocaïne een lokaal anestheticum gebruikt wordt.

De volgende bijkomende voorzorgen dienen getroffen te worden bij parenterale toediening van corticosteroïden. Intrasynoviale injectie van corticosteroïden kan zowel systemische als lokale effecten hebben. Intramusculaire toediening van methylprednisolonacetaat met lidocaïne geeft geen bijkomend voordeel. Wanneer een parenterale corticosteroïdtherapie voor aanhoudende systemische werking gewenst is, dient enkel methylprednisolonacetaat toegediend te worden.

Om elke mogelijkheid van een infectie uit te sluiten, moet de gewichtsvloeistof aan een adequaat onderzoek worden onderworpen. Een duidelijke vermeerdering van de pijn, gepaard met plaatselijke zwelling, verdere beperking van de gewrichtsmobiliteit, koorts en malaise zijn mogelijke symptomen van septische artritis. Wanneer deze verwikkeling voorkomt en de diagnose van sepsis bevestigd wordt, moet de lokale behandeling met injecties met glucocorticosteroïden worden stopgezet en moet een adequate antimicrobiële behandeling ingesteld worden.

In geval van vooraf aanwezige gewrichtsinfecties dienen lokale steroïdinjecties vermeden te worden.

Om infectie of contaminatie te voorkomen, is een steriele techniek noodzakelijk.

Immunosuppressieve effecten/toegenomen vatbaarheid voor infecties Corticosteroïden kunnen de vatbaarheid voor infecties verhogen of bepaalde infectiesymptomen maskeren, bestaande infecties verergeren, het risico op reactivatie of verergering van latente infecties vergroten en tijdens hun gebruik kunnen nieuwe infecties ontstaan. Onder invloed van corticosteroïden kan de weerstand verminderen en kan de lokalisatie van de infectie moeilijk blijken. Infecties die worden veroorzaakt door eender welke ziekteverwekker, zoals bacteriën, virussen, schimmels, protozoa of wormen, overal in het lichaam, kunnen geassocieerd zijn met het gebruik van corticosteroïden, alleen of in combinatie met andere immunosuppressieve stoffen die een effect hebben op de cellulaire immuniteit, de humorale immuniteit of de werking van de neutrofielen. Deze infecties kunnen matig, ernstig en in sommige gevallen fataal zijn. Naarmate de corticosteroïddosis hoger is, doen er zich meer infectiecomplicaties voor. Controleer op de ontwikkeling van infectie en overweeg indien nodig om de behandeling met corticosteroïden te staken of de dosering te verlagen. Bij acute infectie niet intrasynoviaal, intrabursaal of intratendineus toedienen voor een lokaal effect. Patiënten die worden behandeld met immunosuppressieve geneesmiddelen zijn vatbaarder voor infecties dan gezonde individuen. Bijvoorbeeld windpokken en mazelen kunnen een ernstiger of zelfs fataal verloop hebben bij kinderen en volwassenen die niet immuun zijn en corticosteroïden krijgen.

Toediening van levende of levende verzwakte vaccins is niet aanbevolen bij patiënten die immunosuppressieve dosissen corticosteroïden toegediend krijgen. Dode of geïnactiveerde vaccins en biogenetische vaccins mogen wel worden toegediend bij patiënten die immunosuppressieve dosissen corticosteroïden ontvangen; de reactie op deze vaccins kan echter verminderd zijn of zelfs niet werkzaam blijken. Bij patiënten die niet-immunosuppressieve dosissen van corticosteroïden ontvangen, mogen de nodige immunisatieprocedures ondernomen worden.

Het gebruik van DEPO-MEDROL + Lidocaïne bij actieve tuberculose moet beperkt worden tot de gevallen van fulminerende of gedissemineerde tuberculose, waarbij het corticosteroïd wordt toegediend in combinatie met een adequaat tuberculostaticum. Patiënten met latente tuberculose of een positieve tuberculinereactie dienen van nabij te worden gevolgd, aangezien een corticotherapie kan leiden tot reactivatie van de ziekte. Tijdens langdurige corticosteroïdtherapie dienen deze patiënten een chemoprofylactische behandeling te ontvangen.

Het optreden van Kaposi's sarcoom werd gemeld bij patiënten die behandeld werden met corticosteroïden. Stopzetting van de behandeling met corticosteroïden kan tot klinische remissie leiden.

Over de rol van corticosteroïden in septische shock bestond in het verleden controverse. In vroege studies werden zowel gunstige als schadelijke effecten gemeld. Recenter werd gesuggereerd dat bijkomende corticosteroïden gunstig zouden zijn bij patiënten met bevestigde septische shock die bijnierinsufficiëntie vertonen. Het routinematig gebruik ervan bij septische shock is echter niet aanbevolen. Een systematisch onderzoek naar een korte kuur met hoge dosissen corticosteroïden ondersteunde het gebruik ervan niet. Maar meta-analysen en een review suggereren dat langere kuren (5‑11 dagen) met lage dosissen corticosteroïden de mortaliteit zouden kunnen verlagen, vooral bij patiënten met vasopressorafhankelijke septische shock.

Effecten op het immuunsysteem Allergische reacties zijn mogelijk. Omdat zeldzame gevallen van huidreacties en anafylactische/anafylactoïde reacties zijn opgetreden bij patiënten die werden behandeld met corticosteroïden, dienen de nodige voorzorgsmaatregelen genomen te worden vooraleer het middel toe te dienen, vooral wanneer de patiënt een voorgeschiedenis heeft van allergie voor geneesmiddelen.

Endocriene effecten Bij patiënten die corticosteroïden nemen en die onder ongewone stress staan, kan een verhoogde dosis van snelwerkende corticosteroïden vóór, tijdens en na de stresserende situatie vereist zijn.

Farmacologische dosissen glucocorticoïden die langdurig worden toegediend, kunnen leiden tot onderdrukking van de hypothalamus-hypofyse-bijnieras (HHB) (secundaire bijnierinsufficiëntie). De ernst en de duur van de ontstane bijnierinsufficiëntie variëren van patiënt tot patiënt en zijn afhankelijk van de dosis, de frequentie, het tijdstip van toediening en de duur van de glucocorticoïdtherapie.

Een 'steroïdontwenningssyndroom', dat schijnbaar niet is gerelateerd aan bijnierinsufficiëntie, kan ook optreden na een plotse stopzetting van de glucocorticoïden. Dit syndroom omvat symptomen als anorexia, misselijkheid, braken, lethargie, hoofdpijn, koorts, gewrichtspijn, afschilfering, myalgie, gewichtsverlies en/of hypotensie. Deze effecten zijn vermoedelijk te wijten aan de plotse verandering in de glucocorticoïdconcentratie, en niet zozeer aan lage corticosteroïdconcentraties.

Omdat glucocorticoïden het Cushing-syndroom kunnen veroorzaken of verergeren, moeten glucocorticoïden worden vermeden bij patiënten met het Cushing-syndroom.

Het effect van corticosteroïden wordt versterkt bij patiënten met hypothyroïdie.

Voeding en stofwisseling Corticosteroïden, inclusief methylprednisolon, kunnen de bloedsuikerspiegel verhogen, reeds bestaande diabetes verergeren en patiënten onder langdurige corticosteroïdtherapie voorbeschikken voor diabetes mellitus. Latente diabetes kan ook optreden of de dosis insuline/orale antidiabetica moet mogelijk worden verhoogd.

Psychiatrische effecten Bij gebruik van corticosteroïden kunnen psychische stoornissen optreden, gaande van euforie, slapeloosheid, stemmingswisselingen, persoonlijkheidsveranderingen en ernstige depressie tot psychotische verschijnselen. Daarnaast kunnen emotionele instabiliteit of psychotische neigingen worden verergerd door corticosteroïden.

Met systemische steroïden kunnen potentieel ernstige psychiatrische bijwerkingen optreden. De symptomen verschijnen doorgaans binnen enkele dagen of weken na het begin van de behandeling. De meeste reacties verdwijnen na een dosisverlaging of stopzetting van de behandeling, hoewel in sommige gevallen een specifieke behandeling noodzakelijk kan zijn. Er zijn psychologische effecten gemeld bij stopzetting van corticosteroïden; de frequentie daarvan is niet bekend. Patiënten/zorgverleners moeten worden aangemoedigd om een arts te raadplegen als zich bij de patiënt psychologische symptomen ontwikkelen, vooral als een depressieve stemming of zelfmoordgedachten worden vermoed. Patiënten/zorgverleners moeten alert zijn voor mogelijke psychiatrische stoornissen die kunnen voorkomen tijdens of onmiddellijk na een dosisverlaging/stopzetting van systemische steroïden.

Effecten op het zenuwstelsel Corticosteroïden moeten met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met toevallen.

Corticosteroïden moeten met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met myasthenia gravis (zie ook de verklaring over myopathie in onderstaande paragraaf 'Effecten op het skeletspierstelsel').

Er zijn meldingen geweest van epidurale lipomatose bij patiënten die corticosteroïden namen, meestal bij langdurig gebruik in hoge dosissen.

Effecten op de ogen Langdurig gebruik van corticosteroïden kan leiden tot cataracta posterior subcapsularis en nucleair cataract (vooral bij kinderen), exoftalmie of verhoogde intraoculaire druk, wat kan resulteren in glaucoom met mogelijke beschadiging van de gezichtszenuwen en kan het ontstaan bevorderen van secundaire ooginfecties door schimmels of virussen.

In verband met het risico van corneaperforatie dienen corticosteroïden in geval van herpes simplex ocularis en zona met oculaire verschijnselen voorzichtig te worden aangewend.

Visusstoornis kan worden gemeld bij systemisch en topisch gebruik van corticosteroïden. Indien een patiënt symptomen ontwikkelt zoals wazig zien of andere visusstoornissen, dient te worden overwogen de patiënt door te verwijzen naar een oogarts ter beoordeling van mogelijke oorzaken waaronder cataract, glaucoom of zeldzame ziekten zoals centrale sereuze chorioretinopathie (CSCR) die zijn gemeld na gebruik van systemische en topische corticosteroïden. Corticotherapie is geassocieerd met centrale sereuze chorioretinopathie, wat kan leiden tot retinaloslating.

Effecten op het hart De bijwerkingen van glucocorticoïden op het cardiovasculaire stelsel, zoals dyslipidemie en hypertensie, kunnen behandelde patiënten met bestaande cardiovasculaire risicofactoren voorbeschikken voor bijkomende cardiovasculaire effecten indien hoge dosissen en langdurige kuren worden gebruikt. Corticosteroïden moeten bij deze patiënten dan ook oordeelkundig worden gebruikt en er dient aandacht te worden besteed aan risicowijzigingen en aan het instellen van bijkomende cardiale controle waar nodig.

Systemische corticosteroïden moeten voorzichtig worden gebruikt, en enkel wanneer strikt noodzakelijk, in geval van congestief hartfalen.

Effecten op de bloedvaten Bij gebruik van corticosteroïden zijn gevallen van trombose, waaronder veneuze trombo-embolie, gemeld. Corticosteroïden moeten daarom voorzichtig worden gebruikt bij patiënten die trombo-embolische aandoeningen hebben of een predispositie hiervoor hebben.

Corticosteroïden moeten voorzichtig worden gebruikt bij patiënten met hypertensie.

Effecten op het maagdarmstelsel Hoge dosissen corticosteroïden kunnen acute pancreatitis veroorzaken.

Er bestaat geen universele overeenstemming over de vraag of corticosteroïden als dusdanig verantwoordelijk zijn voor ulcera peptica die optreden tijdens de behandeling. Glucocorticoïdtherapie kan wel de symptomen van ulcus pepticum maskeren, waardoor perforatie of bloedingen kunnen optreden zonder significante pijn. Behandeling met glucocorticoïden kan peritonitis of andere symptomen die gepaard gaan met maagdarmstoornissen, zoals perforatie, obstructie of pancreatitis, maskeren. In combinatie met niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen is het risico op maag- en darmzweren verhoogd.

Bij aspecifieke colitis ulcerosa dienen corticosteroïden voorzichtig te worden aangewend in geval van dreigende perforatie, een abces of andere pyogene infectie. Voorzichtigheid is eveneens geboden bij diverticulitis, recente intestinale anastomose, actieve of latente ulcus pepticum, waar steroïden worden gebruikt als hoofdbehandeling of als adjuvans.

Effecten op de gal en de lever Er is melding gemaakt van effecten op de lever en de gal die mogelijk omkeerbaar zijn na stopzetting van de behandeling. Er is derhalve passende controle vereist.

Effecten op het skeletspierstelsel Het optreden van acute myopathie werd gemeld bij het gebruik van hoge dosissen corticosteroïden. Deze gevallen deden zich het meest voor bij patiënten met stoornissen van de neuromusculaire overdracht (bv. myasthenia gravis) of bij patiënten die gelijktijdig behandeld werden met anticholinergica, zoals neuromusculair-remmende geneesmiddelen (bv. pancuronium). Deze acute myopathie is algemeen; zij kan de oog- en ademhalingsspieren aantasten en leiden tot quadriparesis. Er kan zich een toename van creatinekinase voordoen. Het kan weken tot jaren duren alvorens een klinische verbetering of herstel na stopzetting van de corticosteroïdbehandeling optreedt.

Osteoporose is een veel voorkomende maar zelden herkende bijwerking geassocieerd met langdurig gebruik van hoge dosissen glucocorticoïden.

Nier- en urinewegaandoeningen Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met gegeneraliseerde sclerose omdat er een verhoogde incidentie van sclerodermale niercrisis is waargenomen met corticosteroïden, waaronder methylprednisolon

Corticosteroïden moeten voorzichtig worden gebruikt bij patiënten met nierinsufficiëntie.

Onderzoeken Gemiddelde en hoge dosissen hydrocortison of cortison kunnen een verhoging van de bloeddruk, zout- en vochtretentie en een toegenomen kaliumexcretie veroorzaken. De kans dat deze effecten optreden, is kleiner met synthetische derivaten, behalve wanneer ze in hoge dosissen worden toegediend. Een zoutarm dieet en kaliumsupplement kunnen noodzakelijk zijn. Alle corticosteroïden verhogen de calciumexcretie.

Er moet rekening gehouden worden met de corticotherapie bij de interpretatie van een hele reeks biologische testen en parameters (o.a. huidtesten en schildklierhormoonspiegels).

Andere Aangezien de verwikkelingen die met glucocorticoïdtherapie gepaard gaan, afhankelijk zijn van de dosis en behandelduur, moeten voor ieder individueel geval de risico's worden afgewogen tegen de voordelen teneinde de dosis, de behandelduur en het behandelingsschema (dagelijkse of intermitterende toediening) te bepalen.

Verwacht wordt dat gelijktijdige behandeling met CYP3A-remmers, waaronder geneesmiddelen die cobicistat bevatten, het risico op systemische bijwerkingen zal verhogen. De combinatie moet worden vermeden, tenzij de voordelen zwaarder wegen dan het verhoogde risico op systemische corticosteroïde bijwerkingen, in welk geval patiënten moeten worden gecontroleerd op systemische corticosteroïde bijwerkingen (zie rubriek 4.5).

Acetylsalicylzuur en niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen moeten voorzichtig worden gebruikt in combinatie met corticosteroïden.

Gelijktijdig gebruik van orale anticoagulantia en methylprednisolon kan het risico op bloedingen verhogen. Er zijn ook meldingen van verminderde effecten van orale anticoagulantia. Bij patiënten die behandeld worden met vitamine K-antagonisten wordt frequentere controle van de protrombinetijd (INR) aanbevolen, vooral tijdens de start van de behandeling of bij dosisaanpassingen van methylprednisolon (zie rubriek 4.5).

Het optreden van een feochromocytoomcrisis, die fataal kan zijn, is gemeld na de toediening van systemische corticosteroïden. Corticosteroïden mogen alleen worden toegediend aan patiënten met een vermoedelijk of vastgesteld feochromocytoom nadat de risico's en de voordelen goed tegen elkaar zijn afgewogen.

Informatie over hulpstoffen Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per ml, dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.

Pediatrische patiënten Depo-Medrol + Lidocaïne bevat benzylalcohol (zie rubriek 2). Benzylalcohol kan allergische reacties veroorzaken. Intraveneuze toediening van benzylalcohol is in verband gebracht met ernstige bijwerkingen en overlijden bij neonaten ('gasping'-syndroom). De minimale hoeveelheid benzylalcohol waarbij toxiciteit kan optreden is niet bekend. Benzylalcohol mag niet toegediend worden aan een pasgeboren baby (jonger dan 4 weken), tenzij aanbevolen door de arts. Omwille van een verhoogd risico door accumulatie in jonge kinderen, mag benzylalcohol niet langer dan één week gebruikt worden bij jonge kinderen (jonger dan 3 jaar), tenzij geadviseerd door de arts of apotheker (zie rubrieken 4.2 – pediatrische patiënten en 4.3). Grote hoeveelheden moeten met voorzichtigheid en alleen indien nodig worden gebruikt, vooral bij zwangere vrouwen of vrouwen die borstvoeding geven en bij personen met een verminderde lever- of nierfunctie, vanwege het risico op accumulatie en toxiciteit (metabole acidose).

De groei en ontwikkeling van zuigelingen en kinderen die gedurende een lange periode corticosteroïden krijgen, dienen nauwlettend te worden gevolgd. Bij kinderen die gedurende een lange periode dagelijks glucocorticoïden in gesplitste dosissen krijgen, kan een groeistilstand optreden. Het gebruik van een dergelijk behandelschema moet derhalve worden beperkt tot zeer ernstige indicaties.

Met name zuigelingen en kinderen onder langdurige corticosteroïdtherapie lopen risico op een verhoogde intracraniale druk.

Hoge dosissen corticosteroïden kunnen pancreatitis veroorzaken bij kinderen.

  • synovitis bij osteoartriti
  • reumatoïde artriti
  • acute en subacute bursiti
  • acute artritis bij jich
  • epicondyliti
  • acute aspecifieke tenosynoviti
  • posttraumatische osteoartriti

Welke stoffen zitten er in Depo-Medrol + Lidocaïne?

 De werkzame stoffen in dit medicijn zijn methylprednisolonacetaat en lidocaïnehydrochloridemonohydraat: Depo-Medrol + Lidocaïne bevat 40 mg methylprednisolonacetaat en 10 mg lidocaïnehydrochloridemonohydraat in 1 ml suspensie voor injectie.

 De andere stoffen in dit medicijn zijn: Macrogol 3350; benzylalcohol; myristyl-gamma- picoline chloride; natriumchloride; water voor injecties (zie rubriek 2 "Depo-Medrol + Lidocaïne bevat benzylalcohol en natrium").

Bij gelijktijdig gebruik van Depo-Medrol + Lidocaïne en andere medicijnen moet u voorzichtig zijn:

 niet-steroïdale ontstekingsremmers (NSAID's, zoals ibuprofen) en salicylaten (zoals aspirine/acetylsalicylzuur): gelijktijdig gebruik van deze medicijnen en Depo-Medrol + Lidocaïne verhoogt het risico op een maagzweer. Bepaalde NSAID's zoals fenylbutazon kunnen de werkzaamheid van Depo-Medrol + Lidocaïne verminderen.

Depo-Medrol + Lidocaïne kan de uitscheiding van acetylsalicylzuur verhogen en er bestaat een risico op toxiciteit van de salicylaten bij stopzetting van de behandeling met Depo-Medrol + Lidocaïne.

Als u last heeft van hypotrombinemie (abnormale daling van een stollingsfactor in het bloed) moet u voorzichtig zijn met het gebruik van acetylsalicylzuur (aspirine) tijdens een behandeling met Depo-Medrol + Lidocaïne.

 medicijnen tegen diabetes (insuline of orale antidiabetica): u kunt behoefte hebben aan een grotere dosis van deze medicijnen om uw diabetes onder controle te houden bij gelijktijdig gebruik van Depo-Medrol +Lidocaïne.

 diuretica (die de urineproductie bevorderen om de bloeddruk te verlagen of om de symptomen te verlichten in geval van hartfalen): de combinatie van Depo-Medrol + Lidocaïne en sommige diuretica uit de groep van de thiaziden verhoogt het risico op glucose-intolerantie. De combinatie van Depo-Medrol + Lidocaïne en medicijnen die kaliumverlies in de hand werken (bijv. diuretica) kan leiden tot een tekort aan kalium in het bloed.

Er bestaat eveneens een verhoogd risico op een kaliumtekort in het bloed wanneer corticosteroïden worden gecombineerd met de volgende medicijnen: amfotericine B (medicijn tegen bepaalde schimmelinfecties), xantheen of β2-mimetica (medicijnen tegen astma).

 anticoagulantia (medicijnen die de bloedstolling remmen): hun effect kan verminderd of versterkt worden door Depo-Medrol + Lidocaïne.

 anti-infectieuze medicijnen: de gelijktijdige toediening van antibiotica van de familie van de macroliden (zoals erytromycine, claritromycine) en medicijnen tegen schimmels (antifungiciden zoals itraconazol, ketoconazol) kan het risico op overdosering van Depo-Medrol + Lidocaïne vergroten. Troleandomycine, van de familie van de macroliden, kan het risico op overdosering eveneens vergroten. Antibiotica zoals rifampicine daarentegen kunnen de werkzaamheid verminderen. Antibiotica van de familie van de chinolonen verhogen het risico op peesontsteking.

  1. Mogelijke bijwerkingen

Zoals elk medicijn kan ook dit medicijn bijwerkingen hebben. Niet iedereen krijgt daarmee te maken.

In zeldzame gevallen kan dit medicijn een ernstige, potentieel levensbedreigende, allergische reactie (anafylactische shock) veroorzaken. Als u snel optredende ademhalingsmoeilijkheden, zwelling van gezicht en keel, een algemeen onwelzijn (shock) opmerkt, moet u onmiddellijk contact opnemen met een arts.

De kans op bijwerkingen is in het algemeen klein indien dit medicijn gedurende een korte periode wordt gebruikt. Deze kans op bijwerkingen neemt wel toe indien hoge dosissen worden gebruikt gedurende een lange periode. Uw medicijn bevat twee werkzame stoffen: bepaalde bijwerkingen houden verband met glucocorticoïde, andere met lidocaïne. Ze worden in deze bijsluiter samen vermeld.

De belangrijkste bijwerkingen die zich kunnen voordoen zijn:

 stoornissen van spieren en beenderen: groeiachterstand, spierzwakte/pijn, osteoporose, fracturen, wervelbreuken door verzakking, peesscheuring (vooral de achillespees), vernietiging van botweefsel, ziekte van de spieren (myopathie) en van de gewrichten, afname van de spiermassa, ziekte van de gewrichten (Charcot-artropathie), pijn in de gewrichten, spiertrekkingen, opflakkering van pijn na de injectie (een tijdelijke toename van de pijn op de injectieplaats).

 maagdarmstelselaandoeningen: maagdarmzweer, bloedverlies waarbij het bloed uit de maag komt, darmperforatie, ontsteking van de alvleesklier, ontsteking van de slokdarm (met of zonder zweer), buikpijn, opgezette buik, diarree, spijsverteringsstoornissen, misselijkheid, braken.

 huidaandoeningen: blauwe plekken, acne, angio-oedeem (allergische reactie), kleine bloedingen onder de huid (petechiën), dunne en kwetsbare huid, striae, te veel (hyperpigmentatie) of te weinig (hypopigmentatie) verkleuring van de huid, overbeharing bij vrouwen (hirsutisme), huiduitslag, roodheid van de huid, jeuk, netelroos, overmatige transpiratie, huidletsels.

 niet-steroïdale ontstekingsremmers (NSAID's, zoals ibuprofen) en salicylaten (zoals aspirine/acetylsalicylzuur): gelijktijdig gebruik van deze medicijnen en Depo-Medrol + Lidocaïne verhoogt het risico op een maagzweer. Bepaalde NSAID's zoals fenylbutazon kunnen de werkzaamheid van Depo-Medrol + Lidocaïne verminderen.

 medicijnen tegen diabetes (insuline of orale antidiabetica): u kunt behoefte hebben aan een grotere dosis van deze medicijnen om uw diabetes onder controle te houden bij gelijktijdig gebruik van Depo-Medrol + Lidocaïne.

 diuretica (die de urineproductie bevorderen om de bloeddruk te verlagen of om de symptomen te verlichten in geval van hartfalen): de combinatie van Depo-Medrol + Lidocaïne en sommige diuretica uit de groep van de thiaziden verhoogt het risico op glucose-intolerantie. De combinatie van Depo-Medrol + Lidocaïne en medicijnen die kaliumverlies in de hand werken (bijv. diuretica) kan leiden tot een tekort aan kalium in het bloed.

 allergische reacties: reacties als gevolg van een verhoogde gevoeligheid voor vreemde stoffen.

 infecties: infecties, opportunistische infecties, maskering van infecties, reactivering van latente infecties, ontsteking van het buikvlies (peritonitis).

 ademhalingsaandoeningen: longembolie (obstructie van een bloedvat ter hoogte van de longen), aanhoudende hik, ademhalingsdepressie (moeite met ademhalen), ademhalingsstilstand.

 hartstoornissen: congestief hartfalen bij patiënten die daar gevoelig voor zijn, zwakke pols, ruptuur ter hoogte van het myocard (hartspier) als gevolg van een hartinfarct.

 vaataandoeningen: verhoging (hypertensie) of verlaging (hypotensie) van de bloeddruk, cardiovasculaire collaps, hartstilstand, vorming van stolsels in de bloedvaten (trombose), warmte en rood worden van de huid (overmatig blozen).

 bloedaandoeningen: verhoogd aantal witte bloedcellen in het bloed (hyperleukocytose).

 analyses en onderzoeken: kaliumverlies, wijziging van de resultaten van de bloedtesten met betrekking tot de leverwerking, verhoogde druk in het oog, verminderde tolerantie voor koolhydraten, verhoogd calciumgehalte in de urine, onderdrukking van reacties op huidtesten, verhoogd ureum in het bloed, negatieve stikstofbalans.

 algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen: vertraagde wondheling, zwelling (perifeer oedeem), irritatie, reacties op de injectieplaats, vermoeidheid, malaise, steriel abces (zonder aanwezigheid van microben), infectie op de injectieplaats na niet-steriele toediening, wijziging van de huid ter hoogte van de injectieplaats (dermale en subdermale atrofie, mogelijk leidend tot cutane depressies), warmtegevoel of koudegevoel.

- Intrathecale toediening
- Intraveneuze toediening
- Intranasale en oftalmische toediening en diverse injectieplaatsen (schedelhuid, orofarynx, ganglion sphenopalatinus)
- Systemische schimmelinfecties
- Overgevoeligheid voor methylprednisolonacetaat, voor lidocaïnehydrochloride, voor één van de in "Samenstelling" vermelde hulpstoffen van DEPO-MEDROL + Lidocaïne of voor lokale anesthetica van het amide type.

Zwangerschap, borstvoeding en vruchtbaarheid Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan contact op met uw arts of apotheker voordat u dit medicijn gebruikt. Zwangerschap: Het gebruik van dit medicijn tijdens de zwangerschap is in het algemeen af te raden, tenzij dit gebeurt in overleg met uw arts. Mocht u zwanger worden in de periode waarin u met dit medicijn wordt behandeld, dan dient u uw arts te raadplegen. Corticosteroïden en lidocaïne passeren de placenta. Benzylalcohol kan de placenta passeren (zie hieronder "Depo-Medrol + Lidocaïne bevat benzylalcohol"). Borstvoeding: Het gebruik van dit medicijn tijdens de borstvoeding is in het algemeen af te raden, tenzij dit gebeurt in overleg met uw arts. Corticoïden en lidocaïne komen in de moedermelk terecht. Vruchtbaarheid: Uit onderzoeken bij dieren blijkt dat corticosteroïden de vruchtbaarheid kunnen beïnvloeden.

  • De dosis voor intra-articulaire toediening hangt af van de grootte van het gewricht en varieert naargelang van de ernst van de toestand van elke individuele patiënt
  • Knieën, enkels, schouders: 20 tot 80 mg
  • Ellebogen, polsen: 10 tot 40 mg
  • Metacarpofalangeaal, intrafalangeaal, sternoclaviculair, acromioclaviculair: 4 tot 10 mg
  • Toedieningswijz
    • Een steriele naald 20 tot 24 gauge (op een lege injectiespuit) wordt snel in de synoviale holte ingebracht
    • Wanneer de naald op haar plaats zit, de aspiratiespuit verwijderen en vervangen door een tweede spuit met de gewenste hoeveelheid DEPO-MEDROL + Lidocaïne.
    • Een weinig synoviaal vocht optrekken om zich ervan te vergewissen dat de naald nog steeds op haar plaats in de synoviale holte zit.
    • Na injectie, het gewricht enkele keren zacht bewegen om de vermenging van synoviaal vocht en suspensie te bevorderen.
    • De injectieplaats daarna met een steriel verbandje bedekken
    • Toedieningswijz
    • De injectieplaats moet zorgvuldig worden gereinigd en geïnfiltreerd met een oplossing à 1% procaïnehydrochloride. Met een lege spuit (naald kaliber 20 tot 24) wordt het vocht uit de bursa geaspireerd. Terwijl de naald ter plaatse blijft wordt de aspiratiespuit vervangen door een spuitje dat de gewenste dosis bevat. Na injectie wordt de naald verwijderd en wordt een verbandje aangelegd
    • Naargelang van de ernst van de aandoening kan de dosis variëren van 4 tot 30 mg.
    • Bij recurrerende of chronische gevallen kunnen herhaalde inspuitingen noodzakelijk blijken
    • Bij tendinitis of tenosynovitis: suspensie in de peesschede en niet in de pees zelf inspuiten.
    • Bij epicondylitis: suspensie in de pijnlijkste plek inspuiten
CNK 0108555
Organisaties Pfizer
Merken Pfizer
Breedte 35 mm
Lengte 75 mm
Diepte 35 mm
Hoeveelheid verpakking 1
Actieve ingrediënten lidocaïne hydrochloride, methylprednisolon acetaat
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)